Op 21 oktober 2025 verscheen het vernieuwde inspectieprotocol IP2 in het Belgisch Staatsblad. Vanaf 3 november 2025 is het officieel van kracht. Dit betekent nieuwe richtlijnen voor asbestdeskundigen en certificatie-instellingen. 

Benieuwd naar de belangrijkste wijzigingen en aandachtspunten? COPRO vat de belangrijkste veranderingen samen: 

1. Gebruik van het opdrachtformulier

1. Gebruik van het opdrachtformulier

Het opdrachtformulier moet exact overeenkomen met het sjabloon dat OVAM ter beschikking stelt op de OVAM vakinformatiepagina.  

In dit formulier is het niet toegestaan om algemene voorwaarden toe te voegen, deze moeten in een apart document ondertekend worden.

Enkel deze aanpassingen zijn wel toegelaten in het sjabloon van het opdrachtformulier: 

  • eigen logo in de voorziene witruimte;
  • het toevoegen van lijnen aan de tabellen als dat nodig is, zoals in titels 1, 5.3, 6.2, 7.2 en de tabellen 1 en 2 van de bijlage pagina 7 van 27;
  • het verwijderen van lege lijnen in de tabellen in titels 1, 5.3, 6.2, 7.2 en de tabellen 1 en 2 van de bijlage;
  • het verwijderen van de lijnen met de voorbeelden in de tabellen in titels 5.3 en de tabellen 1 en 2 van de bijlage;
  • het vergroten van de witruimte voor het beantwoorden van de open vragen zoals in titels 6.3-6.5 en 9.2.

Lees voor meer informatie hierover zeker ook informatiebrief 20 van de OVAM.

Met betrekking tot het vermelden van het bouwjaar op het opdrachtformulier geven we het volgende mee:

Het bepalen van het bouwjaar is de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever. Indien de ADI het bouwjaar echter ter plaatse moet inschatten, moet dit ook mee in het formulier vermeld worden en ondertekend worden door de opdrachtgever of gevolmachtigde.

2. Basisuitrusting en welzijnswet

2. Basisuitrusting en welzijnswet

Sinds de invoering van IP2 is het voor elke ADI verplicht om te beschikken over een basisuitrusting zoals voorgeschreven door de welzijnswet. Deze verplichting geldt voor alle ADI’s, ongeacht hun statuut. Zowel werknemers als zelfstandigen, inclusief eenmanszaken, moeten aan deze vereisten voldoen. Tijdens elk plaatsbezoek moet de ADI over de juiste beschermingsmiddelen beschikken. Het ontbreken van één of meerdere elementen uit deze uitrusting kan al leiden tot een non-conformiteit.

OVAM benadrukt hiermee het belang van veilig werken en wil ervoor zorgen dat alle ADI’s, ongeacht hun werkvorm, voldoende beschermd zijn bij het uitvoeren van hun taken. Daarnaast streeft OVAM ernaar om de werking rond het asbestattest beter af te stemmen op de CODEX-inventarissen. 

In dat kader zijn ook bepaalde nieuwe gereedschappen relevant en nuttig voor de uitvoering van een inspectie volgens IP2. Deze verduidelijking wordt verder uitgewerkt in de leidraad bij IP2, zie titel 5.3.1 & 5.3.2.

Voorbeelden:

  • Verplicht: persoonlijke beschermingsmiddelen, gereedschappen voor monstername, ladder, stofzuiger met absoluutfilter (zie toelichting hieronder).
  • Optioneel: endoscoop, hoekspiegeltje, drone …

Stofzuiger met absoluutfilter staat bij de verplichte elementen. Afhankelijk van de werkmethoden en procedures die de ADI beschrijft in het kwaliteitsbeheersysteem, maakt deze stofzuiger deel uit van de basisuitrusting tijdens een plaatsbezoek of kan de ADI erover beschikken volgens de beschreven procedure (zie titel 5.3.2 Keuze van het juiste gereedschap).

De ADI hoeft niet elk element van de basisuitrusting bij elke monstername te gebruiken. Het gebruik volgt uit de risicoanalyse ter plaatse (IP2 titel 5.9.2.1), omdat vooraf niet bekend is welke materialen aanwezig zijn en in welke staat. Op basis van deze analyse beslist de ADI welke elementen nodig zijn om het standaardonderzoek veilig en correct uit te voeren.

Voorbeeld: De proces-ADI beschrijft in het kwaliteitsbeheersysteem hoe taken worden uitgevoerd (conform certificatiereglement), inclusief:

  • de manier van monstername;
  • veiligheidsmaatregelen;
  • maatregelen bij incidentele contaminatie.

Bij een controle of audit kan de certificatie-instelling deze werkmethoden en hun toepassing nagaan.

Indien een ADI ervoor kiest om bij bepaalde monsternames een stofzuiger als bronmaatregel te gebruiken, moet dit in het kwaliteitsbeheersysteem beschreven zijn. Voor sommige contaminaties (bv. ruwe oppervlakken zoals oude bakstenen of cementafwerklagen) volstaan vochtige doeken niet. De ADI moet daarom een procedure hebben die garandeert dat een stofzuiger met absoluutfilter binnen een aanvaardbare termijn beschikbaar is. Mogelijke oplossingen:

  • De ADI beschikt altijd ter plaatse over een stofzuiger.
  • De ADI kan een collega contacteren die snel ter plaatse komt.

De ADI moet de monsternameplaats altijd veilig achterlaten: door contaminatie te verwijderen of door de plaats af te bakenen en bijkomende maatregelen te treffen.

OVAM benadrukt dat deze verplichting niet enkel een administratieve vereiste is, maar vooral een fundamenteel onderdeel  vormt voor de uitvoering van een veilige en professionele inventarisatie. De aanwezigheid van de juiste uitrusting stelt de ADI in staat om op een verantwoorde manier te werken en het inspectiegebied correct en volledig te onderzoeken.

3. Monstername en mengmonsters

3. Monstername en mengmonsters

IP2 legt strikte en gedetailleerde richtlijnen vast voor het nemen van monsters in het kader van een asbestinventarisatie. Zowel de verplichte monstername als het gebruik van mengmonsters zijn hierin duidelijk omschreven. 

Deze bepalingen zorgen voor een uniforme werkwijze en verhogen de betrouwbaarheid van de analyseresultaten.

Verplichte monstername

De ADI is verplicht om elk asbestverdacht materiaal dat inspecteerbaar is, te bemonsteren. Tenzij, 

⇒ De asbestdeskundige het materiaal als verdacht kan identificeren op basis van:

  • Een bestaande laboanalyse;
  • Een geldig bewijsdocument;
  • Voorkennis en beoordeling met het blote oog.

⇒ Monstername niet mogelijk is omdat:

  • Er sprake is van een onderzoeksbeperking: Bv. leien hoger dan 3.5 meter → beoordeling "vaststelling en expertise" en dus asbestverdacht
  • De monstername schade veroorzaakt die niet inherent is aan de handeling: Bv. bij roofing op een dak → beoordeling "vaststelling en expertise" en dus asbestverdacht
  • Het materiaal toebehoort aan een andere eigenaar: Bv. leidingisolatie eigendom van de VME aanwezig in een privatieve kelderberging → beoordeling "vaststelling en expertise" en dus asbestverdacht
  • De opdrachtgever de monstername weigert, mits een schriftelijke verklaring op eer. Let op: deze optie is niet toegestaan voor crepi, pleisterwerk, spuitlagen en thermische leidingisolatie. Alle andere niet-bemonsterde toepassingen worden opgenomen als asbestverdacht op basis van "vaststelling en expertise".

Mengmonsters

IP2 bevat duidelijke richtlijnen over wanneer en hoe mengmonsters mogen worden genomen. Mengmonsters zijn enkel toegestaan voor toepassingen die expliciet vermeld staan in art. 5.9.4.3 van IP2, namelijk pleisterwerk, crepi, thermische leidingisolatie in gips en tegellijm faiencetegels.

Voor alle andere materialen geldt dat ze individueel bemonsterd moeten worden. Mengmonsters mogen dus  niet meer gebruikt worden voor andere toepassingen zoals mastiek, roofing, onderdak etc.

Indien de opdrachtgever een monstername weigert, moet dit schriftelijk bevestigd worden via een verklaring op eer, die  wordt opgeladen als bijlage samen met het opdrachtformulier.

Een mengmonster bestaat uit twee tot vier monsternamepunten van hetzelfde inspecteerbare materiaal. Dit met uitzondering van leidingisolatie waar 1 mengmonster steeds bestaat uit 2 punten. De ADI moet ervoor zorgen dat de detectiegrens niet te hoog ligt voor het labo. 

Bij het opnemen van pleisterwerk in een bronfiche, geeft de ADI conform art. 6.4.4 van het IP voor volgende twee gevallen toelichting in het notitieveld:

  • Als er geen pleisterwerk is in de verplicht te bemonsteren ruimte;
  • Als de verplicht te bemonsteren ruimte niet aanwezig is.

Een onvolledige toelichting leidt helaas tot een non-conformiteit. Let dus op: 

  • Als een traphal of stookruimte ontbreekt, of als een keuken of badkamer volledig betegeld is en dus geen pleisterwerk bevat, moet dit duidelijk worden genoteerd.
  • Keuken en badkamer worden beschouwd als natte ruimtes.
  • Een individuele ruimte kan geen stookplaats, traphal of natte ruimte zijn.

4. Niet-asbestverdachte toepassingen

4. Niet-asbestverdachte toepassingen

Bepaalde toepassingen zonder bewijsdocument mogen als niet-asbestverdacht worden beschouwd via vaststelling en expertise. Dit geldt bijvoorbeeld voor 

  • EPDM,
  • vloerzeil met jutte onderzijde of
  • kachelkoord.

Voor onderstaande toepassingen is dit echter niet mogelijk (conform  art. 5.7.2.1 van IP2). Deze toepassingen kunnen enkel als niet-asbestverdacht beoordeeld worden na monstername of met geldige bewijsdocumenten :

  • calciumsilicaatplaat;
  • zwarte lijm;
  • relatief harde en/of pasta-achtige mastiek of kit;
  • bitumen, roofing, teer;
  • spuitlagen, bevlokking;
  • thermisch isolerend materiaal in gips en/of cement;
  • pleisterwerk;
  • crepi;
  • tegellijm faiencetegels;
  • vezelcement.

 Lees hier bij OVAM meer over dit onderwerp.

5. Gebruik van bewijsdocumenten

5. Gebruik van bewijsdocumenten

Het gebruik van bewijsdocumenten als documentatie is enkel toegelaten als zowel de inspectielocatie en de opmaakdatum in het document vermeld staan, zie titel 3.1.2. van IP2. Bij het ontbreken van deze twee velden, is het bewijsdocument helaas niet geldig.

  • Het gebruik van bv. Google Streetview wordt beschouwd als geldig bewijsdocument indien de inspectielocatie en opmaakdatum zichtbaar zijn op de foto.

Op basis van het productiejaar (IP2 art. 5.7.2.2) kan de ADI beoordelen of een materiaal asbestverdacht is of niet, als die minstens volgende elementen bevat: 
1.    de inspectielocatie;
2.    de opmaakdatum van het document;
3.    een duidelijke verwijzing naar de betrokken plaats in het inspectiegebied; 
4.    een beschrijving van de geplaatste toepassing;
5.    de datum van productie of van plaatsing van het materiaal.

Bij conflict of twijfel tussen informatie of documenten en vaststelling ter plaatse hebben de vaststellingen ter plaatse van de ADI voorrang. 

Een concreet voorbeeld ter illustratie staat vermeld in informatiebrief 20 van OVAM.  

6. Beschrijving ruimtes en materialen

6. Beschrijving ruimtes en materialen

Met de invoering van IP2 is het gebruik van adviesfiches voor bepaalde ruimtes en materialen niet langer optioneel. IP2 maakt het verplicht om specifieke ruimtes en materialen in het inspectiegebied te beschrijven in een fiche, ongeacht of ze asbestverdacht of aanwezig zijn. Deze verplichting is ingevoerd om de volledigheid en transparantie van het asbestinventarisattest te verhogen, en om eigenaars en opdrachtgevers een duidelijker beeld te geven van wat de ADI onderzocht heeft.

Vanaf 3 november 2025 verschijnt in de databank een nieuwe keuzeoptie in het dropdownmenu ‘Type advies’, namelijk ‘verplicht te beschrijven ruimte of materiaal’. 

De ADI moet deze nieuwe keuzeoptie aanduiden bij het opstellen van adviesfiches voor de volgende elementen:
-    afdichtingsmateriaal (mastiek, kit …) aan schrijnwerk;
-    pleisterwerk;
-    leidingisolatie; 
-    materialen aan de stookketel (dichtingen, isolerend materiaal…); 
-    materialen onder de dakbedekking (onderdak…); 
-    materialen van rookgaskanalen; 
-    dakbedekking; 
-    materialen aan of in onderdelen en ruimtes die horen bij de liftinfrastructuur. 

Voor elk van deze elementen moet de ADI in een afzonderlijke fiche beschrijven of het materiaal werd vastgesteld, en indien vastgesteld, waarom het niet-asbestverdacht is. Indien meerdere types van bijvoorbeeld dakbedekking voorkomen, moet voor elk type een aparte fiche worden aangemaakt. Als een bepaald materiaal of ruimte niet aanwezig is, wordt dit ook vermeld in een adviesfiche, met uitzondering van toepassingen in niet-asbestverdacht vezelcement.

Bij het genereren van het asbestattest controleert de databank automatisch of alle verplichte ruimtes en materialen correct zijn beschreven. Indien dit niet het geval is, krijgt de ADI een foutmelding en kan het attest niet worden afgerond. Om dit te vermijden, moet de ADI in elke relevante fiche expliciet aanduiden dat het gaat om een ‘verplicht te beschrijven ruimte of materiaal’.

Elke fiche moet minstens deze informatie bevatten:

  • Een detail- en situeringsfoto, indien van toepassing.
  • Een duidelijke omschrijving van het materiaal of de ruimte.
  • Een beschrijving van de plaats waar het voorkomt, eventueel met een notitie in de fiche of een aanduiding op plan.

Deze informatie wordt opgenomen in een vereenvoudigd overzicht in de pdf-versie van het asbestattest. De bemerkingen verschijnen dus niet als volledige adviesfiches, maar bieden wel nuttige context voor eigenaars en opdrachtgevers.

Voorbeelden: 

  • De ADI stelt een dak vast met vezelcementleien op de woning, er zijn geen andere constructies.
    • De ADI maakt een bronfiche voor de leien.
    • De ADI moet geen bijkomende adviesfiche maken.
  • De ADI stelt een dak vast met dakpannen op de woning en een schuur die bedekt is met metalen panelen.
    • De ADI maakt twee adviesfiches: één voor de dakpannen en één voor de metalen panelen. 

7. Fotoreportage en privacy

7. Fotoreportage en privacy

Een correcte en volledige fotoreportage is een essentieel onderdeel van het asbestonderzoek. IP2 legt vast dat elke ADI zijn vaststellingen documenteert aan de hand van voldoende foto’s, die worden opgeladen in de databank. Deze foto’s moeten een representatief, gedetailleerd en eenduidig beeld geven van de ingevoerde inspectiegegevens, het volledige inspectiegebied en de onderzochte zones en materialen. De fotoreportage is niet enkel een administratieve verplichting, maar ook een belangrijk hulpmiddel bij klachtenbehandeling en kwaliteitscontrole.

Bij het nemen en opladen van foto’s moet de ADI rekening houden met de geldende privacyregels. Foto’s mogen geen personen, dieren of herkenbare privé-elementen bevatten. Het niet correct opladen of annoteren van foto’s, of het ontbreken van een volledige fotoreportage, leidt helaas tot een non-conformiteit. De foto’s in de inspectiefiches en de fotoreportage samen moeten een volledig beeld geven van het inspectiegebied.

In IP2 werd opgenomen dat de ADI minimaal de volgende foto’s oplaadt in de fotoreportage:

  1. bij een mengmonster: een situeringsfoto per monsternamepunt, tenzij het monsternamepunt al zichtbaar is op een foto in de inspectiefiche. De ADI let er bij het nemen van de foto op dat de plaats waar het monster is genomen, kan worden herkend;
  2. een representatieve overzichtsfoto die de situatie ter plaatse verduidelijkt per identieke binnen- en buitenruimte van elke onderzochte constructie, tenzij die al zijn opgeladen bij de inspectiefiches;
  3. als dat van toepassing is, de bijkomende foto’s die nodig zijn om een representatief beeld te geven van het onderwerp van de inspectiefiche (conform titel 6.4.6).

De ADI dient fotogroepen te gebruiken om gerelateerde foto's samen te brengen en geeft die groepen een duidelijke naam. De ADI laadt voldoende foto’s op om diens vaststellingen te documenteren, maar laadt wel alleen relevante foto’s op. Het gebruik van fotogroepen is situatie-afhankelijk. Het doel van fotogroepen is dat de foto's eenduidig gelinkt kunnen worden aan een specifieke plaats of een specifiek materiaal. 

Een kwalitatieve fotoreportage maakt de deskundige in de eerste plaats voor zichzelf om de momentopname van zijn vaststellingen ter plaatse te registreren.                                                                              

8. Contaminatie en beperkingsfiches

8. Contaminatie en beperkingsfiches

De ADI moet de afvalstoffen opnemen in een beperkingsfiche als de vaststelling van afvalstoffen en/of beoordeling van de categorie van gebondenheid niet mogelijk is, dit is het geval bij vermoeden van slib, sediment of contaminatie in een dakgoot.

Als de asbestdeskundige een asbesthoudend vezelcementmateriaal vaststelt: 

  1. als dakbedekking, ongeacht de toestand van het materiaal;
  2. als gevelbekleding: 
    en de toestand van het materiaal zwaar beschadigd, zwaar verweerd is;
    of als de asbestdeskundige vaststelt dat de gevelbekleding gereinigd is;

dan stelt die, als dat van toepassing is, een beperkingsfiche op voor waarneembare meegespoelde resten van de dakbedekking of gevelbekleding die de asbestdeskundige niet kan vaststellen. Bv. een lege dakgoot onder een asbesthoudend dak.

9. Actualisatie van attesten

9. Actualisatie van attesten

Bij het actualiseren van een asbestattest moet de ADI steeds beoordelen of een nieuw plaatsbezoek noodzakelijk is. In bepaalde situaties is een plaatsbezoek verplicht, dit is het geval bij aanvullend onderzoek of bij het opheffen van een eerdere onderzoeksbeperking. Alle bewijsdocumenten die bij de beoordeling worden gebruikt, moeten correct worden opgeladen in de databank. Indien dit niet gebeurt, wordt dit helaas beschouwd als een non-conformiteit.

Meer info hierover kan u hier terugvinden.

10. Voorkennis en beoordeling met het blote oog

10. Voorkennis en beoordeling met het blote oog

IP2 voorziet verschillende manieren waarop een ADI een materiaal als asbesthoudend mag identificeren:

  1. vaststelling en expertise (beoordeling als asbestverdacht en dus asbesthoudend);
  2. voorkennis en een beoordeling met het blote oog;
  3. een bestaande laboanalyse (als bewijsdocument) en de bevestiging door vaststelling en expertise;
  4. bewijsdocumenten (andere dan bestaande laboanalyse) en de bevestiging door vaststelling en expertise;
  5. een monstername door de asbestdeskundige met laboanalyse door een asbestlabo.

Alle bewijsdocumenten die gebruikt worden, moeten correct worden opgeladen in de databank.

In dit onderdeel gaan we dieper in op de tweede methode: voorkennis en beoordeling met het blote oog. Deze methode kan enkel worden toegepast als de ADI op basis van visuele kenmerken én bestaande kennis met voldoende zekerheid kan bepalen dat het materiaal asbesthoudend is. Cruciaal hierbij is dat de ADI ook een uitspraak kan doen over het type asbestvezels. Indien dat niet mogelijk is, volstaat deze methode niet en moet alsnog een monstername gebeuren. 

Onderstaande voorbeelden verduidelijken deze regel:

  1. Golfplaten met witte vezelbundels zichtbaar: De ADI stelt visueel vast dat er asbestvezels aanwezig zijn. Op basis van voorkennis weet de ADI dat dit type golfplaat zowel chrysotiel als crocidoliet kan bevatten. Omdat het met het blote oog niet mogelijk is om uit te sluiten dat er crocidoliet aanwezig is, moet de ADI een monster nemen van het materiaal. In dit geval is beoordeling met het blote oog dus onvoldoende.
  2. Type ‘Massal’ met witte vezelbundels zichtbaar: De ADI stelt visueel vast dat er asbestvezels aanwezig zijn. Op basis van voorkennis weet de ADI dat dit type materiaal, volgens de huidige kennis, enkel chrysotiel bevat. Omdat er geen twijfel bestaat over het type vezel, mag de ADI het materiaal identificeren als asbesthoudend op basis van beoordeling met het blote oog, zonder monstername.

Deze methode vereist dus een combinatie van visuele herkenning én inhoudelijke kennis van het materiaaltype. Enkel wanneer beide elementen aanwezig zijn en er geen twijfel bestaat over de vezelsoort, mag de ADI deze werkwijze toepassen.

11. Asbestlabo – wijziging bewaartermijn monsters

11. Asbestlabo – wijziging bewaartermijn monsters

Wijziging bewaartermijn monsters

Het is belangrijk dat de ADI nagaat of diens overeenkomst met het labo in lijn ligt met de vereisten over de bewaartermijnen van monsters conform IP2. Dit moet vermeld staan in de overeenkomt.

IP2 meldt: “De asbestdeskundige doet een beroep op een asbestlabo dat de monsters die genomen worden:

  1. Gedurende 2 jaar bijhoudt;
  2. Voorziet van een unieke identificatie.”

Labo’s moeten de monsters 2 jaar bewaren zodat bij geschillen een heranalyse mogelijk blijft. Mocht dat niet het geval zijn, dan moet de ADI diens overeenkomst laten aanpassen. De CI kan dit bijvoorbeeld controleren bij een procesaudit of in het kader van een klacht. 

Laboanalyse met PLM

Lijm, verf en materialen waarvan het bindmiddel bestaat uit gips of kalk die geanalyseerd worden met een polarisatiemicroscoop (PLM) moeten volgende stappen doorlopen: 

  1. Visuele inspectie: Het volledige monster wordt eerst visueel onderzocht om het type materiaal te bepalen en te beoordelen of monstervoorbereiding nodig is.
  2. Voorbereiding van het monster: Afhankelijk van het materiaaltype wordt het monster voorbereid om vezels beter te kunnen isoleren.
  3. Onderzoek met stereomicroscoop: De vezels worden geëvalueerd en ingedeeld op basis van hun morfologische kenmerken.
  4. Overdracht naar draagglas: Verdachte vezeltypes worden in een geschikte brekingsindexvloeistof (RI-vloeistof) op een draagglas geplaatst.
  5. Identificatie met PLM: De vezels worden geïdentificeerd en de soort asbest wordt bepaald. 

Indien er geen vezels zichtbaar zijn onder de stereomicroscoop, onderzoekt het labo minstens twee preparaten van fijngemaakt materiaal opgelost in RI-vloeistof. Worden er vezels met een diameter van 1 µm of meer aangetroffen, dan kan de PLM bepalen of het om asbest gaat en om welk type. Zijn de vezels kleiner dan 1 µm, dan is identificatie met PLM niet mogelijk. In dat geval vermeldt het analyserapport: “Geen sluitende identificatie van de waargenomen vezels mogelijk op basis van een PLM.”

Belangrijk: als het analyserapport vermeldt dat geen sluitende identificatie van de waargenomen vezels mogelijk is op basis van een PLM, dan mag de ADI het materiaal niet als niet-asbesthoudend identificeren op basis van deze laboanalyse.

12. Markeringen op vezelcementmaterialen

12. Markeringen op vezelcementmaterialen

Om een bepaalde toepassing als niet-asbestverdacht te beschouwen, kunnen er geen NT-labels of gelijkwaardig gebruikt worden, aangezien deze geen wettelijke basis hebben. 

Datum productiejaar versus plaatsingsjaar 

Een vezelcementmateriaal kan als niet-asbestverdacht beschouwd worden op basis van het productiejaar zoals beschreven in titel 5.7.2.2. Voor vezelcement kan men het plaatsingsjaar gebruiken voor het bepalen van het productiejaar. Een ADI mag alle vezelcementtoepassingen als niet-asbestverdacht beschouwen als ze geplaatst zijn vanaf 2005, tenzij er ter plaatse twijfel is over de correctheid van de bewijsdocumenten.

Daarnaast geldt dat materialen die geproduceerd zijn na 2000 door de ADI als niet-asbestverdacht kunnen worden beschouwd. Wanneer het productiejaar echter niet rechtstreeks gekend is, maar het plaatsingsjaar wordt gebruikt als indicatie, dan mag het materiaal enkel als niet-asbestverdacht worden beschouwd als het plaatsingsjaar 2005 of later is.

Voorbeeldsituaties uit de praktijk

  • Situatie 1: Op een tuinhuis liggen golfplaten met een markering “2002”.
    Interpretatie: Deze markering geeft het productiejaar aan. Aangezien het materiaal na 2000 werd geproduceerd, mag de ADI dit als niet-asbestverdacht beschouwen, op voorwaarde dat de markering ondubbelzinnig op de toepassing aanwezig is.
  • Situatie 2: Op een tuinhuis liggen golfplaten zonder markering, maar er is een factuur beschikbaar die dateert van 2002.
    Interpretatie: In dit geval is de factuur een bewijs van het plaatsingsjaar, niet van het productiejaar. Omdat het plaatsingsjaar vóór 2005 ligt, mag de ADI dit materiaal niet automatisch als niet-asbestverdacht beschouwen. Enkel een factuur van 2005 of later volstaat om het materiaal op basis van plaatsingsjaar als niet-asbestverdacht te beoordelen.

Vezelcementen buitenschiltoepassingen en risicobouwjaar

Volgens IP2, titel 5.5, mogen bepaalde constructies en ruimtes worden uitgesloten van inspectie op basis van het risicobouwjaar. Dit betekent dat de ADI een toepassing niet hoeft te onderzoeken als uit bewijsdocumenten blijkt dat ze buiten de risicoperiode vallen. Toch blijft voorzichtigheid geboden, zeker bij vezelcementen buitenschiltoepassingen.

De ADI moet steeds de bewijsdocumenten kritisch beoordelen en vergelijken met de toestand ter plaatse. Indien er aanwijzingen zijn dat het materiaal ouder is dan de vergunde of geplande bouwdatum, moet de ADI dit verder onderzoeken. 

Een voorbeeld hiervan is een loods die vergund en geplaatst werd in 2008, maar waarbij de ADI vaststelt dat er oude golfplaten zijn gebruikt die volgens visuele beoordeling minstens twintig jaar oud zijn. In zo’n geval kan de ADI niet zomaar uitgaan van de vergunningsdatum. De toepassing moet dan mogelijk bemonsterd worden, of – indien er sprake is van een onderzoeksbeperking – opgenomen worden als asbestverdacht en dus asbesthoudend.

IP2 stelt duidelijk dat de ADI constructies en ruimtes enkel mag uitsluiten op basis van bewijsdocumenten zoals omschreven in titel 3.2.3.3. Deze uitsluiting gebeurt via een uitsluitingsfiche, waarin de gebruikte bewijsdocumenten worden opgeladen in de databank. Als de ADI uit deze documenten afleidt dat er materialen zijn gebruikt met een productiedatum die mogelijk vóór 2001 ligt, dan vallen deze materialen alsnog onder de te inspecteren toepassingen zoals vermeld in titel 5.8. Ook in dat geval moeten de bewijsdocumenten correct worden opgeladen.

Kortom, zelfs wanneer een toepassing formeel buiten het risicobouwjaar valt, moet de ADI alert blijven voor visuele of documentgebonden aanwijzingen die op oudere materialen kunnen wijzen. De beoordeling gebeurt steeds op basis van expertise, ondersteund door bewijsdocumenten, en moet in de databank correct worden gedocumenteerd.

13. Beschrijving gebouwdelen

13. Beschrijving gebouwdelen

Als niet alle gebouwdelen worden beschreven, dan kan dit helaas leiden tot een non-conformiteit en aanpassing van het attest. 

Bv. Het ontbreken van de kelderberging die werd beschreven in het opdrachtformulier of waardoor uit de informatie in de databank kan worden afgeleid dat deze deel uitmaakt van het inspectiegebied.

Opgelet: COPRO merkt tijdens de kwaliteitsborging vaak op dat de gebouwdelen niet correct beschreven worden. Voor meer informatie hoe dit correct uit te voeren, raadpleeg de Gebruikershandleiding asbestinventarisdatabank van OVAM onder art. “3.4.3.4 De gebouwdelen beschrijven”.

14. Constructieplannen

14. Constructieplannen

Elk opgeladen constructieplan voldoet aan al de volgende voorwaarden:

  1. het krijgt een duidelijke naam;
  2. het wordt per inspectie-eenheid logisch geordend;
  3. het omvat maximaal één verdieping van één constructie;
  4. het bevat een indeling van de lokalen. De relevante lokalen en ruimtes zijn duidelijk benoemd op het plan;
  5. het komt overeen met de actuele situatie, zoals op het ogenblik dat de asbestdeskundige de asbestinventaris opstelt en het asbestinventarisattest genereert;

Overlappingen die annotaties onleesbaar maken, kunnen niet geaccepteerd worden.  De ADI annoteert ruimtes en materialen met een lijn, een kader of een gearceerd oppervlak als de projectie van de ruimte of het materiaal op het plan ruimtelijk gezien respectievelijk een lijntracé, een kader of een aaneengesloten oppervlak vertegenwoordigt.

De ADI maakt de annotaties aan de hand van de annotatietools van de asbestinventarisdatabank.

Een non-conformiteit zal helaas moeten worden toegekend in de volgende gevallen:

  • het ontbreken van een duidelijke naamgeving
  • het niet opladen van een plan voor elke verdieping of constructie
  • het ontbreken van ruimte-indeling,
  • een onlogische ordening
  • het ontbreken van een correcte benoeming van de ruimte.

15. Verschillende aan elkaar bevestigde inspecteerbare materialen

15. Verschillende aan elkaar bevestigde inspecteerbare materialen

In een bronfiche neemt de asbestdeskundige hetzelfde inspecteerbare materiaal met één bepaald bindmiddel op. Maar als verschillende inspecteerbare materialen aan elkaar zijn bevestigd, dan kan de asbestdeskundige niet altijd afzonderlijke monsters nemen van de afzonderlijke asbestverdachte materialen. 

In dat geval stelt de ADI toch voor elk materiaal een afzonderlijke bronfiche op en neemt, als dat nodig is, de codering van het genomen monster over in alle fiches in kwestie. De relatie tussen die bronfiches beschrijft de asbestdeskundige in het notitieveld. 

Voorbeelden uit de praktijk

  • Colovinyltegel met zwarte lijm
    → Twee aparte bronfiches: één voor de colovinyltegel, één voor de lijm.
    → Indien slechts één monstername mogelijk is, wordt de monstercode in beide fiches vermeld.
  • Dak met verdachte golfplaten, nokken en windveren
    → Drie aparte bronfiches: één voor de golfplaten, één voor de nokken en één voor de windveren.
  • Schouw met schouwhoed/ventilatiekap
    → Twee aparte bronfiches: één voor de schouw en één voor de schouwhoed/ventilatiekap.